Verslag Rietveltsymposium, "Geen leven zonder risico’s"
28 januari 2010 - Protocollen en regels suggereren dat de zorg(relatie) maakbaar is en risico’s kunnen worden uitgesloten. Hulpverleners en organisaties dekken zich hiermee in om zo de risico’s te vermijden. Maar heeft dit wel het gewenste effect? En gaat de sterke nadruk op veiligheid niet ten koste van de kwaliteit van bestaan? Kun je ook veiligheid creëren zonder deze overdaad aan regels? Hierover werd afgelopen donderdag 28 januari gesproken tijdens het Ton Rietveltsymposium.
Het Ton Rietveltsymposium wordt een keer per twee jaar georganiseerd door het CCE in de regio Utrecht en Noord-Holland, ter nagedachtenis aan oud-directeur Ton Rietvelt die in 2002 om het leven kwam. Ton was als directeur altijd erg gericht op samenwerken, verbreden en perspectief bieden. Dat is dan ook altijd de insteek van het symposium. Na een openingswoord en inleiding van dagvoorzitter Ton Millenaar, ging de eerste spreker van start.
Hans Reinders is theoloog en hoogleraar ethiek aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Volgens Reinders leidt onze samenleving aan een onvervulbare behoefte aan veiligheid. Dit berust op de dwanggedachte ‘hoe meer beheersing, des te minder risico’. Maar niet alle risico’s zijn te voorkomen. Soms gaan dingen gewoon zoals ze gaan. Hiermee wil Reinders niet suggereren dat we ons minder met risico en veiligheid moeten bemoeien, maar dat we wel doorzien wat de onvervulde behoefte aan veiligheid doet met de kwaliteit van het menselijk bestaan. Bij een incident is altijd de eerste vraag of er sprake is van verantwoordelijkheid en verwijtbaarheid. Zorginstellingen sturen op risicobeheersing. De kwaliteit van zorg neemt tegenwoordig toe wanneer je in staat bent de risico’s te monitoren. Maar de vraag om echte kwaliteit van bestaan komt hiermee op de tweede plaats terecht. Ook de opkomende discussie over governance, waarbij meer aansprakelijkheid gelegd wordt bij toezichthouders zal volgens Reinders alleen maar het effect hebben van meer beheersings- en sturingselementen.
Fundamenteel inzicht in echte kwaliteit ontbreekt. De ontwikkeling van de cliënt met een verstandelijke beperking moet volgens Reinders het ijkpunt zijn van deze kwaliteit. Individuele mogelijkheden ontsloten worden. Soms vallen ‘niet veilig’ en ‘echte kwaliteit’ dan samen. Goede ondersteuning en zorg komen tot uitdrukking in het verhaal van de cliënt. Echte kwaliteit, stelt Reinders ten slotte, vraagt om durf tot experimenteren. Er is geen echte kwaliteit mogelijk zonder risico te nemen.
Klik hier voor de volledige lezing van Reinders.
Een theatraal intermezzo door toneelgroep ‘Kraak’ zorgt voor afwisseling. Emiel wil nergens aan meedoen. Geen badminton voor hem, want dan zou zijn bril wel eens kapot kunnen gaan. Niet zwemmen, want stel je voor dat je voetschimmel krijgt. Wandelen is ook niks, je zou maar verdwalen. En van koken krijg je vast vlam in de pan. En de bioscoop, daar is het toch veel te donker. Wanneer al zijn vrienden plezier aan het maken zijn, stapt Emiel uit zijn stoel en gaat hij door zijn rug. Het motto luidt, ‘al ben je nog zo voorzichtig, risico loop je altijd’.
De volgende spreker wist tijdens zijn presentatie heel wat lachsalvo’s door de zaal doen klinken met zijn uiteenzetting van het ‘Poldermodel in de spreekkamer’. Herman Pleij, emeritus hoogleraar Historische Nederlandse Letterkunde, stelde dat wij in Nederland door de jaren heen tradities hebben opgebouwd om gecalculeerde risico’s te nemen, en dat we ook veel gecreëerd hebben om dit mogelijk te maken. Dat begon al in het VOC-tijdperk. Schepen kwamen niet altijd terug van de vaart en dat was onhandig. Dus gingen de schepeneigenaren zich verenigen. Met zijn tienen hadden ze tien schepen. Wanneer er daar zes van terugkwamen werd er toch winst gemaakt. Op die manier ontstonden allemaal vangnetten om zoveel mogelijk profijt te krijgen met zo weinig mogelijk risico.
Bij besluitvorming zijn vaak veel mensen betrokken. Pleij wijst op ons poldermodel, wat volgens hem een conflictmodel met ingebouwde consensus is. De ideeënrijkdom in Nederland is groot, iedereen heeft wel een opinie of mening ergens over. Maar ook typisch voor Nederland is dat de meest heftige meningen vaak heel snel weer tot een compromis komen. Want in de woorden van Pleij, ‘er moet wel witte rook uit de schoorsteen komen aan het eind van de dag’. Hij haalt ter illustratie de macho-uitspraken van onze premier aan over het rapport Davids. Een dag later komt hij met een nieuwe verklaring waar iedereen zich in kan vinden. Of het feit dat Balkenende zijn collega Bos tijdens de verkiezingen een draaikont noemde. Nadat echter het kabinet gevormd is komen beide heren gebroederlijk naar buiten en worden de eerdere uitspraken weggewuifd. Want dat was toch allemaal niet zo bedoeld.
Volgens Pleij vinden wij Nederlanders het onhandig om op de barricades te sterven, dus schikken we liever. Deze houding haalt veel druk van de ketel, het relativeert enorm. Maar soms is de prijs te hoog en betalen we te veel tol. Ook hij roept op om te experimenteren. Dit kan de kwaliteit van leven vergroten. Maar verlies daarbij niet de risico’s uit het oog. Coördinatie met veel aandacht voor de kwaliteit van bestaan. Het ene doen en het andere niet laten. Als laatste heeft Pleij ook nog een suggestie voor het Nederlandse wapen. De leeuwen moeten plaats maken voor koeien. En het Franse ‘Je maintiendra’ mag vervangen worden door ‘moet kunnen’.
Klik hier voor de volledige lezing van Pleij.
Na de pauze vertellen Joyce Bais, psycholoog en Minie de Vries, teammanager, over hun werk bij de Kei. Dit is een tijdelijke woon/behandelplek voor langzaam lerende mensen met veelal psychiatrische- en verslavingsproblematiek. Deze doelgroep heeft vaak een lange hulpverleningsgeschiedenis. Ze voelen zich niet thuis in de reguliere zorg. Daar worden eisen aan hen gesteld waar ze niet aan kunnen beantwoorden. Veel cliënten mijden de hulpverlenende instanties zoveel mogelijk. De Kei probeert juist deze cliënten weer te verleiden met zorg, door hen juist niet te veel regels op te leggen. Zo mogen ze blowen, alcohol drinken en hoeven ze niet om negen uur op te staan. Agressie en harddrugs worden echter ook niet getolereerd op de Kei.
In een kort filmfragment leggen cliënten uit wat regels met hen doen. ‘Hoe meer regels, hoe meer tegendraads ik word’ en ‘Regels geven mij het gevoel dat ik niks meer over mezelf te vertellen heb. Als ik hier tegen in opstand kom heb ik tenminste zelf weer de controle’ laten ze weten. Helemaal geen regels stellen kan ook niet volgens hen. Maar dit moet dan per individu bekeken worden. Strakke algemene regels werken niet. Door weinig regels te stellen nemen de behandelaars bij de Kei ook risico’s. Dit gebeurt echter nooit onoverwogen. Er wordt veel over gesproken met cliënt, team en externe partijen zoals politie en gemeente. Samen met cliënten gaan ze bij de Kei weer op zoek naar perspectief.
Wederom zorgt Kraak voor een theatraal intermezzo. Ditmaal gaan twee dames voor het eerst op wandelvakantie. Ze hebben er veel zin in. Dan komen hun vrienden op bezoek, met allemaal ‘goed bedoelde’ cadeaus om zo goed voorbereid te zijn op hun trip. Zo krijgen ze wandelschoenen, een slaapzak, een atlas en nog veel meer. Als de meiden uiteindelijk vertrekken hebben ze zoveel bagage dat ze hun rugzak bijna niet meer kunnen dragen. De conclusie luidt dat risico voorkomen voor extra balast zorgt.
De laatste spreker van de dag is Margot van Trappenburg, politicologe en hoofddocent bij de Utrechtse School voor Bestuurs- en Organisatiewetenschappen. Zij begint met een aantal anekdotes. Zo vertelt ze over mevrouw Boshart, die in een verpleeghuis woont. Ze eet slecht omdat ze het eten niet lekker vindt. Een van de verzorgers neemt daarom eten mee van huis, wat ze wel lust. Het management draait dit echter snel terug, omdat zulke zaken volgens de protocollen niet mogen. Of de cliënt die heel tragisch om het leven kwam nadat hij onder een stilstaande auto was gekropen. De begeleider die daarna met de auto wegreed overreed hem. De inspecteur die naar aanleiding van dit incident bij de instelling kwam vroeg meteen naar het ‘onder de auto kruipen’ protocol. Toen dit er niet bleek te zijn stelde hij voor om dit heel snel op te stellen.
Margot verwijst naar het boek van de socioloog Beck als verklaring van ons gebukt gaan onder regels en protocollen. We hebben allemaal systemen ontworpen waar we afhankelijk van zijn. Niemand is meer informeel aan te spreken, want alles is vastgelegd in verschillende samenwerkingsverbanden. Sinds we niet meer kunnen vertrouwen op die informele controle hebben we allerlei controlesystemen gecreëerd. Daarnaast ziet Van Trappenbrug een verklaring in de ‘lerende’ organisaties die we tegenwoordig kennen. Hierdoor vluchten we in het proces, fouten worden getransformeerd tot leermomenten. In de politiek is dit ‘vluchten in leerprocessen’ zo ingeburgerd dat kamerleden en journalisten niet meer anders weten. Wanneer een TBS-er ontsnapt zul je de Minister van Justitie niet snel horen zeggen: ‘We hebben twee opties, of we sluiten deze mensen hun levenlang op, of ze mogen op verlof. Als je voor deze laatste mogelijkheid gaat zul je altijd risico’s blijven lopen, ook al stuur je een agent mee op verlof”.
Bestuurders gaan bij hun aantreden altijd meteen vlijtig aan de slag. Er wordt een rapport geschreven over stakeholders, en de kansen en bedreigingen van de organisatie en verbeterplannen. Het idee ontstaat dat de organisatie vastgeroest is. Er komt een reorganisatie, een voor- en nameting, targets en prestatieafspraken. Het kan altijd beter! Van Trappenburg laat weten het goed te vinden dat er overlegt en samengewerkt wordt en dat er nagedacht wordt over het werk, maar ze waarschuwt ervoor dat dit niet te ver moet gaan. Ze adviseert bestuurders en beleidsmakers om standaard een inschatting te maken van alternatieve kosten. Wat is de waarde van het beste opgeofferde alternatief? Ze daagt hen ook uit om hun eigen toegevoegde waarde te berekenen. En het aantal beleidsmedewerkers te verminderen.
Zo komt er ruimte voor goed opgeleid personeel. Dit werkt zoveel beter dan toezicht en controlesystemen. Als een cliënt voor het eerst in een verpleeghuis komt en er lopen verzorgers rond die daar al jaren werken, verzorgers die tijd hebben om met verwanten te overleggen over bepaalde behandelingen, verzorgers die tijd hebben om met elkaar te overleggen, dan zijn prestatiecijfers en protocollen niet meer nodig, eindigt Van Trappenburg haar presentatie.
Jessica en Daan van de band ‘Knock out’ zorgen ten slotte voor een staande ovatie wanneer zij de middag muzikaal afsluiten.
Naar overzicht


